‘Wie mij zien aankomen op straat wenden zich af en ontvluchten mij’ (Psalm 31: 12)



Deze psalm gaat niet over corona. Deze psalm is wel een klaagpsalm, een psalm die ons woorden geeft om onze nood voor te leggen aan God. Hoe die nood er dan ook uitziet. Een lichaam dat ziek is en een ziel die klem zit, ellende die je door anderen aangedaan wordt en ellende waarvoor je zelf verantwoordelijkheid draagt, zorgen over het heden en zorgen over de toekomst – alles komt voorbij in deze psalm.

‘Ik ben geworden tot een bron van angst voor mijn bekenden; wie mij op straat zien, ontvluchten mij’  vertaalt de HSV. Deze woorden uit een psalm van David komen opeens heel dichtbij. Die ander, waar we tot nu toe onbevangen langs liepen, mee stonden te praten of mee samenwerkten is nu in de eerste plaats een mogelijke bron van besmetting en angst. En ik ben een mogelijke bron van besmetting en angst voor anderen. We ontvluchten elkaar.

De klachten worden afgewisseld met woorden van vertrouwen en dankbaarheid. Niet keurig op een rijtje, eerst de nood, dan vertrouwen en dankbaarheid, maar door elkaar. Net als in het gewone leven.

Onze Heer Jezus citeert uit vers 6 van deze psalm, vlak voor Hij sterft aan het kruis. Vlak voordat Hij het aardse leven aflegt, waarin mensen zich van Hem afgewend hebben en zelfs zijn beste vrienden Hem ontvluchtten. Hij is verlaten door zijn Vader, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.

‘In uw hand leg ik mijn leven’ – het zijn zijn laatste woorden, vlak voordat Hij zijn laatste adem uitblaast (Luc 23:46). Misschien zijn het voor nu, in deze tijd van corona en toeleven naar Pasen, ook wel de belangrijkste woorden die wij kunnen zeggen. Hoe het ook gaat, met de gezondheid van onszelf en onze geliefden, met ons werk, onze plannen – in uw hand leggen we onze levens. In de hand van de lijdende en opgestane Koning.


Inloggen

     

No Internet Connection