Wat de dwaas treft, treft ook mij.



Het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Prediker is een somber verhaal. Het is onderdeel van de uiteenzetting van Qohelet – de Verzamelaar, de Prediker. Deze koning van Jeruzalem voert een empirisch geluksonderzoek uit, waarbij zijn wijsheid vanzelfsprekend de overhand houdt.

Wat de dwaas treft, treft ook mij, zei ik tegen mezelf, dus waarvoor ben ik zo uitermate wijs geweest?
Prediker 2: 15

Aan geld ook geen gebrek, zo blijkt. Paleizen, wijngaarden, tuinen, parken, een veestapel waar je u tegen zegt. Zangers, zangeressen, zangkoren, dames van plezier: het houdt niet op.

Desondanks ziet Qohelet weinig voordeel van zijn moeizaam gezwoeg: het is allemaal maar lucht en het najagen van wind. Het had geen enkel nut onder de zon. Ook de wijsheid heeft geen voordeel op dwaasheid; natuurlijk, de wijze ziet wat hij doet, de dwaze niet. Maar beiden worden ze voorgoed vergeten. Qohelet houdt zijn gemeente geen luchtspiegeling voor, Prediker is geen opium voor het volk. Integendeel, deze vorst heeft oog voor hoe het leven van alledag er uit ziet. Zo is het, dit kom je tegen.

Zo zagen de geallieerden 75 jaar geleden de slachtoffers in de concentratiekampen: professoren en voetvolk vonden dezelfde dood en dezelfde erbarmelijke omstandigheden. Hetzelfde zien we nu tijdens de coronacrisis: wie wijs is, wordt net zo hard getroffen als wie dwaas is. Dat de Bijbel oog heeft voor deze harde realiteit, is al troostend. God ziét hoe Zijn mensen lijden.

Maar is deze verzamelaar van wijsheid, die een verzamelde menigte toespreekt, daadwerkelijk deprimerend? Eerder realistisch. Ook in zijn oproep aan het slot van dit hoofdstuk: om je te goed te doen aan eten en drinken, want ook dát is in de hand van God - die met dit genieten instemt. Nu we in dit ondermaanse bestaan leven, is het een van God gegeven opdracht om te genieten van wat je moeizaam bijeen sprokkelt


Inloggen

     

No Internet Connection